We worden rond 6:30u wakker. Vandaag beginnen we aan een twee dagen durende rit naar St. Lucia, met een overnachting in Port St. Johns. Na het ontbijt, rond 9:00u, vertrekken we. Ik rijd. Na het tanken rijden we eerst nog door het park. We kunnen er aan de andere kant ook uit en snijden zo een stuk af. (Maar omdat we in het park maar 40 km/u mogen, doen we er waarschijnlijk even lang over.) We zien bijna geen dieren; alleen een paar mestkevers. Hier stoppen we een aantal keer voor (even de remmen testen ;-)), omdat Martijn nog geen goede foto heeft van een mestkever. En ja, die moet je natuurlijk wel hebben. Na een uur zijn we het park uit. Daarna rijden we een stuk over een hele slechte weg, die uit ongeveer 50% asfalt en 50% zand bestaat. Als we de snelweg bereikt hebben, gaat het wat sneller.

Martijn heeft nu eindelijk zijn foto van een mestkever. ©Martijn
Als we bijna in Graham’s Town zijn, moeten we stoppen voor een politiecontrole. Mijn rijbewijs wordt gecontroleerd en mijn naam, de nummerplaat en nog wat gegevens worden genoteerd. We doen boodschappen in Graham’s Town, waar we doorheen moeten omdat er een omleiding is. We zijn hier de enige blanken op straat en we voelen ons bekeken. Als we de boodschappen binnen hebben, kunnen we weer verder. De kwaliteit van de wegen is hier een stuk slechter dan we tijdens het eerste deel van de reis gewend waren. Er rijden vrij veel vrachtwagens en er zijn weinig inhaalmogelijkheden. Vaak ook geen vluchtstrook.
We stoppen op een picknickplaats langs de weg om te lunchen. Na een kwartiertje stappen we weer in en rijden verder. Martijn rijdt. Na een paar uur neemt Mark het over. We krijgen er een extra handicap bij: overstekend vee. Geiten, schapen en koeien lopen vlak langs de weg, waar je in de meeste gevallen 100 km/u mag rijden, en steken onverwachts over. Een stuk terug hadden we al een touring car met een enorm gat in de voorkant langs de weg zien staan, waar een geit/schaap in stukken verspreid over tientallen meters op de weg lag. Dat zal een klap geweest zijn. Alle weggebruikers zijn erg oplettend en anderen worden gewaarschuwd met waarschuwingslichten en groot licht als er verderop dieren op de weg lopen. Het wordt steeds somberder en na een tijdje krijgen we er nog een handicap bij: mist en regen. We rijden nu praktisch door de wolken. Gecombineerd komen we tot de volgende situatie: we rijden met flinke snelheid een heuvel op, niet eens heel mistig, als er plotseling een jongen, zwaaiend met een rode vlag, voor onze auto springt. Vrijwel direct steekt er een kudde koeien over. Van 100 naar 0 in 3 seconden, misschien wel minder. Dan sta je wel even vreemd te kijken.

Eigenlijk een foto van de terugweg, maar hij geeft wel een indruk van de rit van vandaag. Om de één of andere reden hebben we na Addo Elephant vandaag helemaal geen foto's gemaakt. ©Peter
We rijden door veel arme plaatsen, waar we niet graag zouden blijven of zelfs zouden willen uitstappen. Zo is er Umtata bijvoorbeeld. Arm en druk. Erg druk. Nu moet ik wel zeggen dat we er net tijdens de spits doorheen rijden. Rijen auto’s, langzaam en dicht langs elkaar rijdend, terwijl de voetgangers er kriskras tussendoor lopen. Ik ben blij dat ik nu niet achter het stuur zit. Mark leidt ons er goed doorheen. We zien van alles. Van bouwvallige winkeltjes waar je "surgery" kan laten uitvoeren tot oude kerkjes. Gelukkig hebben ze hier ook gewoon een spar en een kfc. We moeten nog ver. Ik lees "Het Gouden Ei" uit. Dit boek, gecombineerd met het sombere weer en de sombere plaatsjes waar we doorheen rijden, maakt dit waarschijnlijk de meest deprimerende dag van de hele reis.

Deze foto is eigenlijk van morgen. ©Martijn
Na een tijdje begint de omgeving te veranderen. De mist trekt op en er verschijnen wat lichte plekken in de bewolking. Er staan veel bomen en ik voel dat we bergafwaarts gaan. Richting de zee. We komen langs een rivier te rijden. De bewolking breekt verder, maar de zon zullen we niet zien. Na een paar fijne verkeersdrempels (wie heeft die dingen uitgevonden?) rijden we in de beginnende schemering Port St. Johns binnen. Port St. Johns lijkt op wat ik me van het paradijs voorstel. Nadat we de bagage uit de auto hebben gehaald, is hij licht genoeg om het ietwat steile hellinkje naar de backpackers opgereden te worden. De backpackers waar we verblijven, is erg mooi: 2 zwembaden, een enorm grote tv, grote vuurplaats en goede hotelkamers (hoewel Mark en Martijn daar de volgende dag anders over zouden denken). Er loopt hier een groot aantal katten rond. We vinden het nu al jammer dat we hier morgenochtend alweer weg moeten. We krijgen onze kamers te zien. Ruben en ik nemen de hotelkamer (eindelijk weer een bed!), Mark en Martijn zullen in een apart huisje/hutje slapen.

Een gekko op het plafond in het hotel. Je moet wel twee keer kijken als je zo'n beestje ineens langs ziet schieten. ©Peter
We eten in het hotel. ’s Avonds drinken we wat bij de bar, waarna we bij het vuur gaan zitten. Hier krijgen we een verkooppraatje van iemand die de volgende dag een excursie organiseert. Eerst zouden we een wandeling naar een hoge waterval gaan maken. Daarna zouden we naar een dorpje gaan dat compleet afgesloten is van de buitenwereld (afgezien van die man dan die er elke dag met een groep toeristen langskomt natuurlijk, maar dat vertelt hij er niet bij). Hij heeft zelfs een reclamefilmpje op dvd. Het klinkt wel redelijk aantrekkelijk, maar we doen het toch maar niet. Misschien zouden we hier op de terugweg nog langskomen. Ook hebben we nog iets van een gesprek in het Afrikaans met een man die vindt dat we absoluut niet naar St. Lucia moeten gaan. Daar is toch niets te doen! We moeten naar de Drakensbergen! De volgende man vindt het wel een goed idee dat we naar St. Lucia gaan. Het lijkt of de meeste mensen hier wel iets te verkopen hebben. Moe van de reis en de verkooppraatjes gaan we slapen.